90s Nostalgiaspel

HET GULDEN TIJDPERK

De munten en bankbiljetten van de gulden hebben volkse namen gekend, die met de komst van de euro grotendeels zijn verdwenen. Alleen de termen dubbeltje en stuiver worden tegenwoordig ook gebruikt voor de munten van 10 en 5 eurocent.

- Spie (1 centmunt)
- Stuiver (5 centmunt)
- Dubbeltje (10 centmunt, duppie, beissie): hoe een dubbeltje rollen kan, zo plat als een dubbeltje
- Kwartje (25 centmunt, maffie, heitje: heitje voor ’n karweitje): begint het kwartje te vallen
- Gulden (piek, pegel, pop) (Nederlandse 1 gulden)
- Daalder (1½ guldenmunt): op de markt is uw gulden een daalder waard
- Rijksdaalder (knaak, riks, achterwiel, karrenwiel) (2½ guldenmunt)
- Vijfje (bas, dikke stuiver, fiets) (2 rijksdaalders) (5 guldenmunt of -biljet)
- Tientje, (joetje, mattenklopper, prent) (10 guldenbiljet)
- Geeltje (25 guldenbiljet; de versie van 1861-1909 had een gele kleur)
- Zonnebloem, bram, brammetje (50 guldenbiljet)
- Meier, mutje, snip, bank(ie)/bankje (100 guldenbiljet)
- Vuurtoren (250 guldenbiljet, met een afbeelding van de vuurtoren van Haamstede)
- Rooie rug, rooie of rug (1000 guldenbiljet, oorspronkelijk rood- maar later groengekleurd)